Over zorg en afhankelijkheid
Een week geleden was ze gevallen, de oude vrouw. Zomaar, in haar huis. Ze had
daar de hele nacht gelegen tot haar nicht door het raam naar binnen had gekeken
en haar naast de salontafel had zien liggen. Met hulp van de buurvrouw braken ze in. Zelfs met hulp van de twee jonge vrouwen kon de vrouw niet overeind komen. Ze had pijn.
Haar benen staken sprietig onder een dun nachtjaponnetje uit, haar huid leek
gemarmerd. Ze voelde koud aan. De nicht legde een deken over haar heen en overlegde met de buurvrouw wat te doen.
"Niet
mijn dochter bellen! Nee ook niet een dokter bellen! Dan halen ze me hier
weg en kom ik hier nooit meer terug." Maar ze kon ook niet zo blijven liggen. Dus even later werden toch zowel de dokter als de dochter gebeld. Tegen
haar wil werd de oude vrouw afgevoerd naar het ziekenhuis en aan het infuus gelegd.
"Ik wil van die slangen af! Ik wil naar huis."De oude vrouw plukt nijdig aan de
slangetjes van het infuus. Haar dochter trekt de hand weg. "Je
weet dat je eerst weer genoeg moet eten en drinken. Anders blijf je aan het
infuus. Hier. Neem nog wat appelsap." Ze duwt het glas tegen de mond van
haar moeder, die eraan nipt en dan met een vies gezicht haar hoofd wegdraait.
De buurvrouw komt op bezoek met een mandje pruimen: de eerste oogst van de boom op de grens tussen hun tuintjes. De oude vrouw vraagt naar de tuin. Wat er bloeit, en of de katten het jonge groen niet kapot gemaakt hebben. Haar ogen beginnen te glanzen.
De dochter pakt de pruimen en stopt ze in haar handtas: "Die zijn nog te
hard voor moeder. En anders pakken de zusters ze maar weg." Ze neemt de buurvrouw
even apart in het keukentje van het ziekenhuis.
"Vertel mijn moeder maar niets meer over haar tuin of huis. Ze weet het zelf nog niet, maar ze komt er niet meer terug."
"Ze wil wel graag terug", zegt de buurvrouw. "Als ik een oogje in het zeil houd en als ze thuiszorg krijgt, zou het dan wel kunnen? Het is toch te proberen?"
Maar de dochter is vastbesloten: "Moeder gaat niet
meer naar huis, want het is een rotbuurt. Toen de Turken kwamen is het begonnen,
je zág de straat achteruit gaan. Toen had moeder al moeten verhuizen. Je weet niet hoe vreselijk het voor mij is om twee keer per week daar
naar toe te moeten. Elk moment kun je een mes in je rug krijgen. Ik heb een aanvraag ingediend voor het verpleeghuis." Een week later staat een vrachtwagentje van "Jan koopt alles" voor de deur. De hele inboedel wordt ingeladen. Even later belt de dochter bij de buurvrouw aan. "Mijn moeder mag hier niets
van weten hoor. Ik vertel het haar wel een keer, later. Eerst moet ik zien dat
ze naar het verpleeghuis gaat. Ze eet nog steeds niet."
Een week later ziet de buurvrouw moeder en dochter weer in het ziekenhuis. Het gesprek loopt stroef. Dochter is voortdurend aan het woord om te voorkomen dat buurvrouw uit de school klapt. De oude vrouw ziet er mat uit. Niet eten en niet drinken is het enige dat nog aan verzet lijkt te zijn overgebleven.
Als de dochter even in het
keukentje is, pakt de oude vrouw de arm van de buurvrouw zacht beet. "Mijn dochter is geen
gemakkelijke. Maar ze bedoelt het niet kwaad hoor. Ach, ze heeft het als kind
ook niet gemakkelijk gehad. Ze was enig kind, dus niemand om over te moederen.
En ze regelt graag."
Twee weken later overlijdt de oude vrouw. Het is een dag voor de geplande verhuizing naar het verpleeghuis.