Het is niet leuk om klein te zijn. Maar het scheelt wel als je weet dat het niet voor altijd is.
Karel wordt altijd als eerste gevraagd in het team met gym. Hij is keigoed en kan als de
beste voetballen. Razendsnel is hij en beresterk bovendien. Niks mis met hem. Maar Karel is klein. Hij is de kleinste van de klas. Ze noemen hem ‘onderdeurtje’. Ze
zeggen het als grapje, dus hij lacht maar met ze mee. Wat moet je anders? Maar van
binnen doet het zeer.
Op een dag na schooltijd doet Karels zus er nog een schepje bovenop. ‘Heeej
broertjuh.’ Tjuh? Broer-tjuh? Karel wordt wit, begint te trillen en wordt dan
vuurrood. ‘Ik ben geen broerTJUH!’ briest hij en hij springt tegen haar op,
schopt en slaat met zijn vuisten.
‘Hé hé he’! Ho ho ho!’ komt hun grote broer tussenbeiden. Tomas is al
zestien en een boom van een vent. ‘Maak je niet druk, joh. Weet je dat ik ook
altijd de kleinste was?’ Karel kijkt ongelovig. ‘Ja, echt. En ik werd ook
uitgelachen. Maar moet je me nou zien. Allemaal vanzelf gegaan, toen ik veertien
was.’
Op school hebben ze nog steeds grappen over het ‘onderdeurtje’. Maar Karel
zwijgt. In gedachten ziet hij voor zich hoe zijn broer moet bukken om zijn hoofd
niet tegen de deurpost te stoten. Nog een paar jaar. Dan is hij Karel de
Grote.