Een eigenwijze kater geeft zijn visie op de samenleving in 'De wereld volgens Wikkes'
Wij katten markeren onze aanwezigheid door middel van geurvlaggetjes. Onversneden katers doen dat het liefst met hun achterste en sproeien een vloeistof die dermate indringend is, dat zelfs mensen met hun zwakke neus dat kunnen ruiken. Poezen en onfortuinlijke katers zoals ik nemen genoegen met bescheidener maatregelen: wij wrijven met onze wang tegen een stoelpoot, een deurpost of een mensenbeen. Alleen katten kunnen dat ruiken. Die weten wie daar geweest is en wanneer en wat hij te melden heeft.
Als ik dus, zoals mensen dat zeggen, 'kopjes geef tegen het been van mijn mens, verkeert zij in de gelukzalige illusie dat dat een gebaar van genegenheid is. Maar in feite schrijf ik met grote letters op haar kuit: WIKKES WAS HERE! Ofwel ik laat andere katten weten: dit mens is van mij.
Mensen zetten ook vlaggen uit. Ze kopen de gekste dingen om te laten zien wie ze zijn. Of liever: wie ze zouden willen zijn. De dure auto voor de deur (ik ben rijk), de draagbare telefoon (ik ben onmisbaar), de frutsels in de vensterbank (ik ben gezellig), de zware lectuur in de boekenkast (ik ben intelligent).
Ook geluidsvlaggen worden uitgezet: met een soort geluidsbarrière schept men op brommers een extra groot territorium. Luid en veel praten, terwijl er weinig te zeggen valt. En geurvlaggen: peperdure flesjes met een uitgelezen mengsel van pis, zweet en kruiden worden over de huid geneveld. Die lucht is indringender dan het sproeisel van ongesneden katers. Dat noem ik geen vlaggetjes, maar lakens. Op meer dan 10 meter afstand kun je ruiken: daar loopt Cacharel. En daar komt Joop!
Ik vind dat vlaggedrag maar verwarrend, want achter Joop! met zijn telefoon blijkt een eenzame Henk te schuilen en mevrouw Cacharel is eigenlijk Els, die altijd bang is een slechte indruk op de mensen te maken, Waarom komen jullie mensen niet gewoon uit voor wie je bent? Gewone mensen, soms vrolijk, soms verdrietig, soms lief, soms kwaadaardig, soms sterk, soms bang. Daar is toch niks mis mee?
juni 1996