Pijltje terug Terug

Een artikel over diaconaal groepswerk. Geschreven voor de bundel 'De weg van de groep', Meinema Zoetermeer.

Diaconale groepen

In een levende geloofsgemeenschap ontstaan regelmatig groepen vanuit diaconale betrokkenheid. Het begint meestal met één of een handvol mensen die geraakt zijn door een knelpunt dat zij in hun omgeving signaleren: eenzaamheid, sociaal isolement, armoede, enzovoort. Daar willen ze ‘iets aan doen’. Anders gezegd: de aanleiding voor groepsvorming ligt vrijwel altijd in onvrede met de bestaande situatie.1
Lang niet alle goede bedoelingen worden uiteindelijk omgezet in een activiteit. Veel idealen stranden voor er daadwerkelijk een activiteit is georganiseerd. Maar een aantal activiteiten komt soms na veel lobbyen, vergaderen, zoeken en hard werken - wél van de grond. Over die activiteiten voor zover het groepswerk betreft gaat het hier. Soms worden ze georganiseerd vanuit een inloophuis of ‘buurt- en kerk’-project, soms vanuit de kerk zelf. Soms is een beroepskracht vrijgesteld voor de activiteiten, soms draait het geheel op vrijwilligers.
Een paar willekeurige voorbeelden van groepen: inloopmiddagen voor mensen uit de buurt, of voor een bepaalde groep (mensen in de WAO, ouderen), maaltijdgroepen, ‘open praatmiddagen’, themabijeenkomsten volgens een vast rooster of ad hoc naar aanleiding van een actualiteit. Maar ook groepen met een uitermate praktische insteek: naaigroepen voor vrouwen uit de buurt of straatgroepen voor de leefbaarheid in de buurt. Of : ‘samen breien voor het goede doel’.
Bij een deel van de activiteiten gaat het om twee groepen: de bezoekers of deelnemers, maar ook de medewerkers of vrijwilligers vormen een groep. Bij beide hebben we te maken met groepsdynamica. In dit hoofdstuk krijgen ze daarom beide aandacht.

Een impressie vanuit een inloophuis

Het is rustig in het inloophuis, wanneer ik met twee andere medewerkers de dienst overneem van de ochtendploeg. Er zitten een paar bezoekers in het huiskamergedeelte, achter in het centrum. Een van de vaste bezoekers is Carolien, een vrouw van ruim in de zestig. Ondanks het gure weer is ze in een knalrode korte broek. De gymschoenen eronder zijn nieuw. Carolien heeft een rauwe stem en spreekt bij voorkeur in korte zinnen vol dubbele bodems. Soms zie ik haar op straat lopen, een beetje voorover gebogen, met altijd drie plastic tassen en haar kleren in de meest schelle kleuren. Ze moppert en scheldt hardop, meestal tegen niemand in het bijzonder. In het inloophuis is ze anders, ik heb haar daar nooit horen schelden. Ze mag er dan vreemd uitzien en moeilijk te verstaan zijn, dom is ze niet. Carolien heeft meer dan 25 jaar bij de overheid gewerkt en leest dagelijks de krant met veel interesse. Veel van wat ze zegt, verwijst naar actuele gebeurtenissen in het wereldnieuws. Vaak is dat een cryptische verwijzing.
Na een poosje komen er meer bezoekers de huiskamer binnen. Sommigen zoeken een plekje alleen, waar ze rustig hun kop thee kunnen drinken en niet hoeven te praten. Anderen komen juist voor het praatje. Vaak ontstaat er spontaan een soort kringgesprek in de huiskamer. Nu gaat het gesprek over iemand die zojuist weer naar buiten is gegaan en die daarvoor een groot stempel op het gesprek had gedrukt. De achtergeblevenen proberen met elkaar en ieder voor zich hun positie ten opzichte van die ene te bepalen. Had hij gelijk? Het ging over geloven, zoveel is duidelijk. Wat de Waarheid is, ligt voor ieder mens verschillend. Deze persoon had de door hem ervaren waarheid verkondigd als DE Waarheid. De anderen worden daar onrustig van. De discussie gaat nog een poosje door, tot deze omslaat doordat één van de bezoekers de goede bedoelingen van de verkondiger in twijfel trekt. Een aantal anderen gaat daarin mee en weet voorbeelden te noemen die de persoon in diskrediet brengen. Mijn collega-medewerker roept deze ontwikkeling een halt toe met de mededeling dat er niet gepraat wordt over mensen die er niet zijn. Dat is één van de regels in dit centrum.
Een andere regel is dat men niet langer dan een uur mag blijven. Dit voorkomt gehang en het verzieken van de sfeer. Carolien staat altijd uit zichzelf en op tijd op. Zo ook nu. Als ze langs me loopt, richting uitgang, blijft ze even staan, kijkt me aan en zegt zo zacht dat anderen het niet kunnen horen -: ‘Ik vind dat moeilijk. Dat ze zulke dingen over hem zeggen. Ik vond hem aardig. Mag dat nu niet meer?’

Doel van de activiteit

Vanuit de diaconale betrokkenheid worden nogal eens hooggegrepen en algemene doelstellingen geformuleerd. Geconfronteerd met het effect van uitsluiting wil men hier zo open mogelijk zijn, dus wordt het: ‘een luisterend oor bieden aan mensen in de wijk’ of ‘de verarming tegengaan’. Het is echter onmogelijk om iedereen van dienst te zijn: de ene groep sluit de andere uit. Winkelend publiek loopt door als ze vervuilde daklozen binnen zien zitten. Een deel van de moslimvrouwen kan niet komen als ook mannen op een activiteit welkom zijn. Een keuze maken is onvermijdelijk als je de keuze niet aan het toeval wilt overlaten. Geen keuze maken betekent ook: meer kans op conflicten over doel en doelgroep wanneer de activiteit al bezig is. Dan blijkt hoezeer de visies uiteen liggen. Menig activiteit is door dergelijke conflicten roemloos ten onder gegaan. Met name evangelische en diaconale doelen kunnen elkaar bijten. De doelstelling moet zo min mogelijk ruimte bieden aan dubbele agenda’s.
Maar ook moeten doel en middel duidelijk onderscheiden worden om te voorkomen dat het middel tot doel wordt. Als een breigroep ´voor het goede doel´ vooral drukbezette vrouwen trekt, is dat niet erg. Maar als het voornaamste doel was om oudere vrouwen uit hun isolement te halen, is een andere activiteit (of andere werving) wenselijk om hen te bereiken. Informeer bij het kiezen voor een bepaalde doelgroep en activiteit vooraf goed naar wat er in de directe omgeving al georganiseerd wordt. Is bijvoorbeeld het Leger des Heils actief? Wat doen andere kerken in de nabijheid op dit vlak? Wie bereiken ze en wie niet, en waarom niet? Wat voor behoeften signaleren zij waaraan ze (nog) geen gehoor kunnen geven? Zijn er activiteiten geflopt en hoe kwam dat? Welke samenwerkingsmogelijkheden zijn er?
Houd ook rekening met de eigen capaciteit. Hoeveel vrijwilligers zijn hoe vaak beschikbaar, wat kunnen die aan? De idealen zijn vaak groot, ook onder de vrijwilligers. Het risico is dat men opgebrand raakt wanneer men uit enthousiasme en betrokkenheid bij het ideaal te veel hooi op de vork neemt. Een dagdeel per week vrijwilligerswerk kan zeker voor iemand met een kwakkelende gezondheid - een flinke belasting zijn op de lange duur. Niet iedereen heeft organisatietalenten. De ene activiteit is na het inwerken grotendeels routinekwestie, de andere kan de vrijwilligers voor zeer persoonlijke vragen stellen. Is er menskracht en tijd beschikbaar om deze vrijwilligers voldoende te begeleiden?
Concrete doelen van groepen kunnen zijn: ‘Het bevorderen van kennis en begrip van elkaars religie en cultuur, het doen afnemen van onderling wantrouwen.’ ‘Het versterken van sociale netwerken in de wijk.’ ‘Verminderen van isolement onder alleenwonende ouderen.’ ‘Betaalbare maaltijden en gezelligheid voor wijkbewoners.’ ‘Samen werken aan een schone en leefbare straat.’
In de praktijk kan blijken dat doelgroep en doel toch niet passen bij de situatie. Misschien dient een veel urgenter vraag zich aan. Maak al voor de start afspraken over wanneer er geëvalueerd wordt. Zo nodig kan naar aanleiding van een evaluatie gekozen worden voor het bijsturen van de doelen.

Functies van de groep

Deelnemersgroep
In veel van de hier bedoelde groepen zal ontmoeting, pastoraat en/of diaconaat centraal staan. De combinatie van het ‘iets’ en het ‘samen’ vormt een gouden duo. Men gaat voor de koffie én het praatje, men komt voor het eten én het gezellig samenzijn, men wil hulp én lotgenoten ontmoeten. Het weghalen van één van de twee polen kan de doodsteek zijn voor een activiteit of groep. Het is daarom belangrijk om voor beide facetten aandacht te hebben.
De mogelijkheden van de groepsleden worden nogal eens onderschat. Soms wil de begeleiding teveel de touwtjes in handen houden en ontneemt ze daarmee de groepsleden de kans om hun eigen kwaliteiten in te zetten. De onderlinge betrokkenheid en solidariteit van mensen die in min of meer hetzelfde schuitje zitten of hebben gezeten, doet wonderen. Een wijze opmerking van iemand ‘die het meegemaakt heeft’ kan een ander op het goede spoor zetten. Voor enkelen is het voor het eerst in hun leven dat ze ervaren iets te mogen betekenen voor een ander.
Bij inloopactiviteiten is doorgaans geen sprake van een duidelijk gestructureerd en bestuurbaar groepsproces. Het is voortdurend een komen en gaan van mensen, zonder vastgezette tijden waarop iedereen alle anderen tegelijk ontmoeten kan. De gesprekken die plaatsvinden, zijn niet vooraf gepland, er is geen duidelijk begin of eind aan en er is geen gespreksleiding. Het gaat allemaal informeler, toevalliger. Een boeiend gesprek kan abrupt stoppen als er iemand anders binnenkomt die alle aandacht krijgt. Toch vindt er wel een soort groepsproces plaats, al is daar vaak moeilijk de vinger op te leggen. Een deel ervan vindt buiten de activiteit plaats.In de loop van de jaren vormen de deelnemers zich een beeld van elkaar, vinden interacties plaats die gekleurd worden door waarneming en de waarneming ook weer beïnvloeden. Er doen zich confrontaties en escalaties voor en er vinden verzoeningen plaats. Er ontwikkelt zich vooral in de groep vaste deelnemers het besef deel uit te maken van een groep met een geschiedenis. Men wordt gemist als men er niet is. Ieder levert op eigen wijze een bijdrage aan het voortbestaan van de groep.
Omgekeerd levert de groep een bijdrage aan het individu. Afhankelijk van de intensiteit waarin men zich in de groep begeeft, is deze groep van invloed op iemands zelfbeeld.2 In de samenleving worden groepen mensen aan de kant van de weg gezet als afval (‘junk’), of gedefinieerd in termen van overlast. Binnen groepen met andere gemarginaliseerden kan men mits een respectvolle sfeer wordt gewaarborgd zich ervaren als welkom. In deze groep ben je een geziene gast. Daarmee word je gelijk uitgenodigd je goede kanten te laten zien.

Bij themabijeenkomsten is de groep in principe beperkt tot één bijeenkomst, hoewel in de praktijk blijkt dat, wanneer meerdere bijeenkomsten worden georganiseerd, een vaste kern blijft terugkomen naast een aantal wisselende deelnemers. De functie van de groep is hier enerzijds praktisch: meerdere mensen tegelijkertijd informeren over een bepaald onderwerp. Anderzijds kan men in de groep elkaar informeren over het onderwerp en kan men reacties aan elkaar toetsen. De groep kan zelfs in eenmalige situaties attitudeveranderingen bewerkstelligen.

Vanuit de kerk werd een bijeenkomst georganiseerd over de komst van een gebruikersruimte voor drugsverslaafden in de wijk. Meer dan gewoonlijk bij zulke bijeenkomsten werd hier een genuanceerd geluid gehoord. Enkele deelnemers verwoordden hun zorg om deze mensen die voortdurend opgejaagd worden. Zo’n ruimte zou voor hen wat rust kunnen geven in hun toch al zo trieste bestaan. Maar men was ook bezorgd om, en had vragen over de consequenties voor de andere wijkbewoners...
Dit geluid verzachtte enigszins de belangentegenstellingen in deze situatie. Men stond niet langer tegenover elkaar, maar keek meer samen naar het probleem.

Vrijwilligersgroep
De medewerkers samen vormen ook een groep, met alle groepsdynamica die daarbij hoort. Het is meestal geen groep met een gezamenlijke start en gezamenlijk eind: in de loop van de tijd melden zich nieuwe vrijwilligers die zich in de bestaande groep voegen, en andere vrijwilligers stappen weer uit. Een al te gezellige groep vrijwilligers is riskant, wanneer het de openheid in de weg staat en deelnemers en nieuwe vrijwilligers als een inbreuk op de gezelligheid worden ervaren. Ook een vaste kern sleutelfiguren die te lang op dezelfde post blijft zitten kán frustrerend werken voor de andere (aspirant-) vrijwilligers en uiteindelijk de dood in de pot betekenen, omdat mensen afhaken en nieuwe mensen het na één of twee keer voor gezien houden. Hoewel het niet vaak voorkomt, zou ook in het vrijwilligerswerk ruimte moeten zijn voor tijdelijke contracten en ‘job-roulation’, zodat vrijwilligers niet vastgeroest raken op één taak en regelmatig nieuwe uitdagingen tegenkomen.
Kwetsbaar én krachtig onderdeel van de meeste van deze groepen vrijwilligers is het feit dat men zich concentreert op een activiteit. Kwetsbaar, omdat het ´doen´ de reflectie op het functioneren als groep kan tegenhouden. Of het ‘niet praten maar doen’ wordt gebruikt als vlucht om die reflectie - met mogelijk pijnlijke conclusies te ontlopen. Krachtig, omdat de activiteit op zich ook een directe beloning is voor de inspanningen. Het samen plezier beleven aan een activiteit en daarin ook ieders specifieke kwaliteiten ontdekken verrijkt de groep.
Vrijwilligers zijn nodig om het doel van de activiteit te bereiken. Maar het uit de verf laten komen van vrijwilligers in een activiteit is op zichzelf ook een doel. Vanuit een gemeente of parochie moet niet alleen de activiteit en de doelgroep daarvan centraal staan. Het inzetten in een activiteit is wezenlijk en centraal onderdeel van de geloofsgemeenschap. Wie geraakt wordt door het evangelie maar geen kans krijgt om de vertaalslag naar de praktijk te maken door daadwerkelijke inzet in een activiteit, is als iemand die wel mag inademen maar niet uitademen. Een gemeenschap waar mensen niet de ruimte krijgen om zich in te zetten voor elkaar en anderen verzuurt, wordt passief en raakt naar binnen gekeerd. Een knelpunt kan zijn dat een kleine groep binnen de geloofsgemeenschap zich betrokken weet bij zo’n activiteit maar zich daarin niet gesteund voelt door de rest van de gemeente. Soms raakt een vrijwilligersgroep zo gefrustreerd door dat gebrek aan steun en respons, dat ze zich met hun activiteit steeds minder binnen het parochie- of gemeentewerk rekenen. De activiteit komt los te staan en er is geen sprake meer van een voedende werking over en weer. Daadwerkelijk loskoppelen kan een bewuste keuze zijn om het voortbestaan van de activiteit te garanderen en de vrijwilligers niet in een onmogelijke spagaat te dwingen tussen de verwachtingen vanuit de gemeente of parochie en vanuit de doelgroep(en). Als het lukt om van meet af aan het contact over en weer goed te houden, is dat voor beide partijen beter.
De groep medewerkers heeft dus zelf ook ‘onderhoud’ nodig. Regelmatig bij elkaar komen en reflecteren op zichzelf, de groep en de activiteit is essentieel voor een goede groepsvorming. Een op die manier gezond functionerend team is essentieel voor het goed draaien van een activiteit. De methode van themagecentreerde interactie, die door Ruth Cohn is geïntroduceerd, kan functioneel zijn bij het in de gaten houden van de drie facetten die een rol spelen: individu, groep en thema of activiteit. 3
Belangrijk is de ruimte voor het besef dat je als mens niet alles kunt oplossen. Vrijwilligers moeten hun verhaal ook kwijt kunnen. Te snel aandragen van oplossingen (door groepsgenoten of gespreksleiding) kan als gevolg hebben dat iemand zich met zijn probleem niet serieus genomen voelt, of dat hij dichtklapt in de veronderstelling dat anderen het kennelijk zoveel beter weten en kunnen. De medewerkers dienen onderling het besef te hebben dat ieder eigen specifieke kwaliteiten heeft en dat juist het samengaan van die verschillende kwaliteiten de activiteit tot een bijzonder waardevolle maakt.

Bij een aantal groepen is het onderscheid tussen vrijwilliger en deelnemer diffuus. De ‘straatgroepen’ bijvoorbeeld worden gevormd door buurtbewoners (of straatbewoners) die samen iets doen ter verbetering van de leefbaarheid van hun straat. Het beschilderen van een blinde muur of het vegen van de straat gaat hand in hand met de versterking van de onderlinge saamhorigheid. De spreekwoordelijke ‘goede buur’ wordt hier soms tegen de verdrukking van afbraak en renovaties in uit de tent gelokt. Wie de ene keer een ander helpt, kan een maand later zelf hulp nodig hebben.

Werving en samenstelling

Werving van vrijwilligers
Bij maaltijdgroepen en inloopactiviteiten melden zich doorgaans al gauw ook vrijwilligers met een andere religieuze identiteit dan de kerkelijke achterban. Soms is dat van buiten, soms uit de deelnemersgroep: iemand is blij met de activiteit en wil graag een steentje bijdragen. Het hangt van het beleid van het project of de activiteit af welke eisen er gesteld worden aan de religieuze identiteit van de vrijwilligers. De discussie of ‘andersdenkenden’ een actieve, inhoudelijke bijdrage mogen leveren heeft menig project op z’n grondvesten doen trillen. Hier wordt men indringend geconfronteerd met vragen over de eigen religieuze identiteit. Daarnaast kan ook angst (‘waar gaat het heen?’) een rol spelen in de discussie. Soms kiest de leiding van een activiteit voor actieve deelname van andersdenkenden, maar wordt vanuit de kerkelijke achterban daartegen fel bezwaar aangetekend. De aard van de activiteit speelt wel mee in de heftigheid van de emoties. Doorgaans heeft men er geen enkel probleem mee als mensen met een andere dan de eigen christelijke signatuur praktische hand- en spandiensten verrichten, maar wil men niet dat deze invloed uitoefenen als bestuurslid. Door de aspirant-vrijwilliger kan zo’n onderscheid als zeer pijnlijk worden ervaren.
Het ‘soort’ vrijwilliger dat men nodig heeft, hangt samen met het soort deelnemers waarop men zich richt. Een gesprek met een eenzame weduwe is iets anders dan een gesprek met een verslaafde dakloze. Iemand die goed is in individuele gesprekken is niet altijd goed in het begeleiden van groepen. Voor sommige activiteiten kan een vrijwilliger met de uitstraling van een uitsmijter zeer gewenst zijn. Voor themabijeenkomsten of een maaltijdproject of zijn daarentegen doorgaans meer organisatietalenten nodig. En mensen die kunnen koken voor grote groepen. En iemand met een auto en een sterke rug vanwege de boodschappen.
Sommige medewerkers voelen zich verloren of afgewezen als een bezoeker alleen voor de koffie komt en verder met rust gelaten wil worden. Taalgebruik, houding, verwachtingen van de bezoekers: de medewerker moet er mee om kunnen gaan. Hoe diverser de samenstelling van de vrijwilligersgroep, hoe meer ruimte er zal zijn om verschillende ‘soorten’ mensen aandacht te kunnen geven.

Werving van deelnemers
Voor werving van deelnemers staat een scala aan middelen ter beschikking. Van een stukje in het kerkblad of plaatselijk sufferdje tot folders en flyers, affiches of een reclamebord op de stoep (‘Elke donderdagochtend gratis koffie’). Leg bij schriftelijke publiciteit enkele ontwerpen voor aan een paar representatieve proefpersonen. En vraag je af of meertalige publicaties gewenst zijn. Folderen alleen is zelden voldoende: wie nieuwe deelnemers of vrijwilligers wil trekken kan het beste meerdere middelen tegeljik inzetten. Het uitdelen van ballonnen voor een kinderactiviteit, een optocht, een praatje bij ontmoetingsplaatsen. Een goed contact met hulpverleners en welzijnswerkers in de buurt kan er toe bijdragen dat zij potentiële deelnemers op de nieuwe activiteiten wijzen.
Houd er te allen tijde rekening mee dat zowel je vrijwilligers als je doelgroep diverser zijn dan je op het eerste gezicht denkt. Vanzelfsprekendheden en vooronderstellingen die impliciet blijken, kan maken dat mensen zich buitengesloten voelen.
De ruimte en de inrichting ervan werkt ook wervend of juist niet voor bepaalde doelgroepen. De kerk heeft bij een deel van de mensen een positief imago, ook als ze er nooit (meer) komen. Anderen zijn bang bekeerd te worden tot het christendom zodra ze een voet over de drempel zetten. Een neutrale inrichting bestaat niet. Een ruimte straalt ook persoonlijkheid uit waarop de (aspirant-)bezoekers reageren.In een zogenaamd neutrale inrichting zal niemand zich uitgenodigd voelen.
Publiciteit is vaak een ondergeschoven kindje. Dat is niet terecht: goede publiciteit is de halve activiteit. Er zijn diverse handzame boeken over dit onderwerp, waarvan enkele specifiek gericht zijn op kerkelijk werk.4

Functies van de (bege)leiding
De rol van de leiding verschilt al naar gelang het soort bijeenkomst of groep. Bij themabijeenkomsten zal een voorzitter zijn die een eventuele gastspreker in- en uitleidt, die de discussie waar nodig in goede banen leidt. Wanneer het gesprek niet op gang komt kan de leiding een prikkelende vraag stellen die andere vragen oproept. Het is overigens niet vanzelfsprekend dat de pastor ook de leiding heeft.
In inloopactiviteiten zal de leiding over het algemeen een terughoudende en ondersteunende rol hebben. Hoe meer de leiding wil, deste minder gebeurt er. Hoe minder de leiding ingrijpt, deste meer bloeit er aan moois op. De pastor en andere medewerkers zijn er vooral om de groepsleden te ondersteunen en begeleiden in hun onderlinge contact en hen alleen aan te vullen waar dat nodig is. Ondersteuning kan door mensen te bevestigen in hun capaciteiten, vertrouwen te laten blijken in zowel deelnemers als vrijwilligers door hen zoveel verantwoordelijkheid te geven als ze aankunnen. Als een pastor anderen consequent respectvol bejegent, wordt dat gezien, ook door anderen. Goed voorbeeld doet vaak goed volgen. Een sneeuwbaleffect kan het gevolg zijn, waardoor onderling respect deel wordt van het groepsgedrag. Respectvol betekent ook: jezelf openstellen voor een dialoog. De pastor moet ontvankelijk zijn en kwetsbaar, bereid eigen vooroordelen te herzien. Een dialoog kan alleen ontstaan als in de relatie wederkerigheid heerst: wederzijdse mogelijkheid tot verandering. 5
Het vraagt flexibiliteit om eigen ‘programma’s’ los te laten en zuiver te reageren op wat er op je afkomt. Voor wie dat kan, kunnen inloopactiviteiten zeer boeiend en uitdagend zijn. Geen dag, geen uur is hetzelfde. ‘Het is rustig vandaag’ zeg je en nog geen tien minuten later zit de ruimte vol met druk pratende bezoekers.

Soms vinden onder bezoekers harde confrontaties plaats die door zowel vrijwilligers als de andere bezoekers als bedreigend ervaren kunnen worden. De pastor dient over voldoende zelfkennis en zelfvertrouwen te beschikken om de eigen reacties te onderkennen, adequaat te reageren en niet in paniek te raken. Naderhand moet er ruimte zijn om met elkaar te praten over het gebeurde en wat dat met ieder heeft gedaan. De pastor moet zelf ook haar of zijn verhaal ergens kwijt kunnen. Soms komt een onverwerkt stuk van een incident maanden later nog terugspoken. 6
Bij het bespreken van incidenten gaat het erom dat de betrokken partijen inzicht krijgen in het eigen en andermans gedrag en het effect dat dit gedrag teweegbrengt. Groepsleden kunnen helpen om de dingen bij de naam te noemen én om alternatieven voor gedrag aan te dragen. Houd rekening met machtsverschillen ook waar het gaat om verbale capaciteiten. Iemand die de dingen moeilijk onder woorden brengt kan zich geïntimideerd voelen door een ‘mooie babbel’ en dichtslaan. Soms passen verbaal begaafden op een ogenschijnlijk rustige manier (verbaal / psychologisch) geweld toe, waarop het slachtoffer reageert met een (fysieke) klap en daarmee de kwaaie pier is.

S en L liggen elkaar niet. L is bij binnenkomst bewust bij het andere groepje gaan zitten om geen aanvaring met S te krijgen. S kan L echter wel horen praten en hij ergert zich enorm aan diens grove taalgebruik. Die ergernis steekt hij niet onder stoelen of banken. L. gaat daar niet op in. Totdat S reageert op een vloek van L met ‘dat zal inderdaad gebeuren. God zal jou verdommen. Je vraagt er zelf om!’ Dan is voor L de maat vol. Hij staat op en geeft S een klap. S eist van de leiding dat L de toegang wordt ontzegd, omdat hij geweld heeft gebruikt.

Ook waar geen formele gespreksleiding is, kan de pastor of medewerker invloed uitoefenen door bepaalde vragen te stellen, of door mensen uit te nodigen tot gesprek. Wanneer één persoon het gesprek overheerst kan dat ten koste gaan van anderen. Heftige discussies en theoretische uiteenzettingen kunnen boeiend zijn, maar ze kunnen als ze te lang aanhouden mensen in de kou laten staan. Hoe minder evenwicht er is tussen de deelname (verbaal of non-verbaal) van de verschillende bezoekers aan het gesprek, des te meer reden om te onderzoeken of het gesprek niet bijgestuurd moet worden.
Wat een pastor in geen geval mag doen is psychologiseren, een masker afrukken of iemand emotioneel uitkleden. Respect voor iemands grenzen, ook op het psychische vlak, is in mijn ogen één van de meest fundamentele eisen aan goed pastorschap.
Als praatpaal voor vrijwilligers die zich aan elkaar ergeren kan de pastor een soort bufferfunctie hebben. Het uitpraten van een conflict wil men soms ook liever met de pastor erbij als die zich tenminste niet in één kamp laat trekken.

Motivatie van de vrijwilligers

Zoveel hoofden, zoveel zinnen. Dat geldt ook hier. Ieder heeft weer andere motieven om zich in te zetten voor juist deze activiteit. ‘Geroepen vanuit het Evangelie’ klinkt het nogal eens in de formele beschrijvingen. Hoe die roep precies klinkt, welke interpretatie daaraan gegeven wordt, welke beelden men daarbij heeft, dat verschilt van persoon tot persoon.
Vanuit kerkelijke kring melden zich regelmatig vrijwilligers met een uitgesproken charitatieve instelling. Die houding verhindert hen te zien wat de ander hen te bieden heeft, ze kunnen niet ontvangen. Een goede intake, waarin ook deze valkuil aan de orde komt, kan veel misverstanden en ergernissen voorkomen.
De vraag naar de eigenlijke motivatie is ook nodig om te bepalen of deze vrijwilliger in deze activiteit uit de verf zal kunnen komen. Al te gretig elke vrijwilliger binnenhalen die zich aandient is vragen om problemen voor beide partijen.
Er zijn vrijwilligers die een activiteit binnengebedeld worden. Ze kunnen geen nee zeggen, doen het ‘omdat iemand het toch moet doen’. Als de lol in het werk niet gauw komt, zullen ze opgebrand raken en vroeg of laat stranden. Vaak is er voor die tijd al heel wat ellende gebeurd.
Om het werk goed en langer vol te houden is het nodig om er zelf zin-geving uit te halen om er zin in te houden. Je geeft niet alleen (je tijd, je aandacht, je vaardigheden, je dienst), je ontvangt ook.
Motivaties die een rol kunnen spelen zijn bijvoorbeeld:
de status (je betekent iets), de waardering van de deelnemers, verhalen van mensen willen horen (je eigen leed relativeren of nieuwsgierigheid), zelf aandacht krijgen, bij de leuke groep medewerkers horen, je handen uit je mouwen kunnen steken en zo je gevoel van machteloosheids te lijf gaan, behoefte aan gezelligheid of een vaste structuur (vaste prik elke week iets waarvoor je de deur uit moet), plezier beleven aan iets waar je goed in bent (koken, organiseren, gesprek leiden...)
Veel diaconale activiteiten trekken vrijwilligers die graag op een praktische, concrete manier de handen uit de mouwen willen steken. Dat ene kopje koffie, die maaltijd, dat je op zo’n manier mensen al een beetje gelukkig kunt maken.
Een aantal vrijwilligers blijft langer dan goed is voor henzelf en voor de activiteit. De oorzaak is vaak druk van buitenaf (je laat ons toch niet in de steek?!) of niet kunnen voldoen aan de (on)uitgesproken verplichting te zorgen voor een vervanger. Ook een arbeidsethos kan meespelen: wie A zegt moet ook B zeggen, of men is bang lui en egoïstisch gevonden te worden als men stopt. Deze mensen zijn geholpen met een leidinggevende/bestuur dat hen waardeert om hun inzet, maar niet claimt en met hen zoekt naar een manier waarop ze beter met hun gaven de gemeente kunnen dienen. Soms is dat vooral: minder hooi op de vork nemen, taken afstoten, zodat er ruimte is om de taken die men al op het bord heeft, met meer plezier te kunnen doen. Voorzichtigheid is wel geboden: sommige vrijwilligers ontlenen een belangrijk deel van hun identiteit aan hun onmisbaarheid in de activiteit. Ze kunnen in een diep gat vallen als ze ontdekken dat ze niet onvervangbaar zijn.

Valkuilen voor de pastor/leiding

Daar sta je dan: mooi zaaltje, prachtige folder, enthousiaste vrijwilligers en er komt niemand. De eerste keer niet. De tweede keer niet. Of er komen mensen, maar die komen voor iets anders: kijken of het al loopt met die themabijeenkomsten of dat inloopgebeuren van je.
Daar sta je dan: met je blijde boodschap van aandacht. Blijken ze alleen koffie te willen en geen gezeur aan hun kop.
Daar sta je dan: met je mooie woorden en de drang om mensen te helpen. Blijken ze helemaal niet geholpen te willen worden. In ieder geval niet nu, niet hier, niet door jou, niet op deze manier.
Daar sta je dan: met je mooie ego. Deed je zo je best, hebben ze de vreselijkste aantijgingen tegen jou en je kerk. Je weet wel dat de kerk ook moeders mooiste niet is, maar je voelt je toch aangevallen en schiet in de verdediging. ‘Bij ons... Ik...’ Maar die ander luistert niet, die heeft een boodschap en jij bent degene die moet luisteren.
Daar ga je dan: met je enthousiasme, een vrijwilliger en een paar A4-tjes naar een gemeenteavond over het centrum. Blijken ze jouw enthousiasme helemaal niet te delen en je kunt het niet eens overbrengen. Komen ze met de stomste vooroordelen en eisen. Willen ze iemand in het bestuur waarvan jij weet dat die iets heel anders met het centrum wil. En kun je fluiten naar het geld dat nodig is om het centrum te onderhouden.
Daar hang je dan. Na de eerste veelbelovende start blijken de vrijwilligers stuk voor stuk te ziek, te oud of in onderling gekrakeel ten onder te gaan. En nieuwe vrijwilligers moeten nog geboren worden, want iedereen heeft het te druk.
Daar sta je dan: aan de afwas. De zaal nog een puinhoop. De andere vrijwilligers zijn ‘m gesmeerd. Dat doen ze steeds vaker en jij draait ervoor op want je kunt de boel zo niet achterlaten. Er iets van zeggen? Dan zeggen ze: ‘Sorry, ik kon echt niet en als het je niet aanstaat, dan kom ik helemaal niet meer.’
Daar sta je dan: met je mooie idealen. Maar in gesprek met bezoekers betrap je jezelf erop dat je niet meer weet wat je gelooft. Je ziet dezelfde mensen al 10 jaar in dezelfde puree zitten en wat jij ook onderneemt, het helpt geen zier. Je merkt dat je helemaal geen zin hebt om voor de zoveelste keer dat zeurderige verhaal van die bezoeker aan te horen en je ergert je aan die mevrouw die nooit tevreden is en altijd kritiek heeft. Je wilde, naar het voorbeeld van Jezus, alle mensen liefhebben, of op z’n minst een beetje, maar dat blijkt moeilijker dan je dacht. Je valt van je eigen voetstuk.
Daar ga je dan: met je deskundigheid. Een bezoeker vroeg je iets over God of de bijbel en hop, galoppeerde je weg op je theologische stokpaardje en verloor je prompt de bezoeker uit het oog. En juist als je zo je best doet om onzichtbaar te zijn, vergaloppeer je je hieraan. Geen wonder: het is ook niet de bedoeling om onzichtbaar te zijn, maar om met jezelf, je eigen persoonlijkheid het gesprek met de ander aan te gaan en daarbij de ander in het oog te houden. Het is jouw doel om de ander tot zijn of haar recht te laten komen.

Dit zijn zo wat valkuilen, willekeurig bijeengeraapt. Iedereen trapt in minstens één maar waarschijnlijk meerdere valkuilen. Valkuilen kunnen leerzaam zijn, als je tenminste in staat bent er uit te kruipen. Met behulp van een ander of met humor en zelfinzicht. De valkuilen kunnen op de volgende manieren wat kleiner worden, minder diep of beter gemarkeerd.

Stel je idealen haalbaar in. In dit werk is laag nog het meest haalbaar. Houd die droom van een betere wereld wel op de achtergrond, maar besef dat jij daar hooguit marginaal iets aan kan bijdragen en dat dat marginale al heel wat is.
Houd (alleen of met de andere medewerkers) een logboekje bij waarin je van elke dag ook de goede dingen noteert.
Bespreek je dippen en frustraties met anderen, maar sleep elkaar niet mee in gedeprimeerde stemmingen.
Verdeel de taken, durf die bezoeker waar jij je aan ergert, over te dragen aan iemand anders die er fris of gewoon anders tegenaan kijkt.
Zie elke confrontatie en frustratie als een manier om jezelf beter te leren kennen. Waar liggen je grenzen, waar je pijnpunten, waar zou je je grens een stukje kunnen verleggen.
Neem jezelf niet te serieus.
Hang je niet op aan je activiteit. Je valt er niet mee samen. Zodra kritiek op de activiteit voelt als kritiek op jou, ben je beide kwetsbaar.

Procedures

Regels vormen het hekwerk waarbinnen groepen kunnen functioneren. Aan dat hekwerk wordt altijd gerammeld, zowel door vrijwilligers als door deelnemers. Zou het hekwerk echter verdwijnen, dan wordt de situatie onveilig en onrustig.

Aan de muur hangt een poster met daarop de regels: ‘Hier binnen niet vechten, niet bietsen, geen drugs, geen drank, geen spullen verkopen. Geen kwaad spreken over een ander. Je blijft niet langer dan een uur. We kunnen geen geld geven.’

De praktijk wijst uit welke regels het meest noodzakelijk zijn. Vrijwilligers trekken zoveel mogelijk één lijn. Gebeurt dat niet, dan kunnen ze tegen elkaar worden uitgespeeld. Zodra men op één of meerdere fronten soepeler wordt, moet men rekening houden met een periode waarin ook de andere grenzen worden onderzocht op hun houdbaarheid. Het is overigens beslist niet makkelijk om als medewerkers consequent te blijven zonder star te zijn.

Waar er vergaderd wordt met vrijwilligers is er een duidelijke agenda die bij voorkeur niet overladen is. Zorg voor vrijwilligers blijkt ook uit zorg dat ze op tijd weer thuis kunnen zijn.

In een aantal groepen, waar zeer persoonlijke ervaringen worden gedeeld, wordt afgesproken dat wat binnen de groep besproken wordt, niet naar buiten gebracht wordt door de deelnemers. Bij los-vaste groepen en eenmalige groepen is het echter moeilijk om zo’n regel geleefd te krijgen onder de deelnemers. Dan is het soms wijzer om sommige deelnemers te beschermen tegen zich al te veel blootgeven. Daarom zijn ook niet alle thema’s geschikt voor deze groepen.

Werkvormen

Hieronder volgen een paar opmerkingen en ideeën voor werkvormen. Het is vanzelfsprekend lang geen allesomvattende lijst. Gebruik de creativiteit van de groep en vraag af en toe eens in het rond: kunnen we het ook anders aanpakken voor een keer?

De vraag naar rituelen en liturgische handelingen
Bezoekers en vrijwilligers van inloophuizen kunnen behoefte hebben aan liturgische elementen of rituelen. Het kan daarbij gaan om het aansteken van een kaars, samen bidden, een stiltemoment, een viering, of een dagopening of sluiting.
Het is van belang om de behoefte daaraan serieus te nemen zonder er mee aan de haal te gaan en daarmee degene die de vraag stelde in de kou te laten staan. Wat zoekt, wat verwacht degene die vraagt om symbolische handelingen? Draai je als een overbezette huisarts ‘op vraag’ een recept af, of neem je even de tijd om samen met de vraagsteller te zoeken naar de achterliggende vraag? Over het algemeen geldt: hoe basaler hoe zinniger. Een met zorg aangestoken kaars met volle aandacht van twee of drie personen kan soms meer heil bewerkstelligen dan een heel kerkelijk jaar aan hoogliturgische diensten.

In het Aandachtscentrum in Den Haag wordt dagelijks aan het begin van de middag een kwartier gereserveerd voor een kleine viering. Deelname is vrijwillig, er blijven altijd twee medewerkers achter voor de overige bezoekers. Een aantal bezoekers komt speciaal rond deze tijd in het centrum om aan de viering mee te kunnen doen. De liturgieën volgen het kerkelijk jaar en zitten volledig uitgetypt in mappen. De deelnemers nemen elk een stukje van de liturgie voor hun rekening. Men neemt plaats in een kringetje rond de paaskaars. Tijdens de viering is er de gelegenheid om bij het aansteken van een kaarsje aan de paaskaars hardop of in stilte een voorbede voor iemand te doen. Uit de voorbeden blijkt goed hoe intens betrokken men zich weet bij andere bezoekers.

Bij maaltijdgroepen is het gebruikelijk om aan het begin van de maaltijd stilte in acht te nemen. Soms gaat iemand voor in gebed of leest een gedicht voor. Dat hoeft niet altijd de pastor te zijn. Soms wordt er geëindigd met een gedicht of (dank)gebed.

Groepsgesprek
Wanneer er gestructureerde groepsgesprekken plaatsvinden, is het thema tevoren bepaald of wordt dat aan het begin van de bijeenkomst gedaan.
Maar zoals eerder al aangegeven kunnen ook spontaan groepsgesprekken opbloeien. De inrichting van de ruimte kan daartoe uitnodigen of juist niet. Uitnodigend kan zijn: ‘knusse’ zitjes in een niet te open zaal, niet te schel licht, lekker zittende stoelen met bekleding. Het moet makkelijk zijn om even een stoel bij te schuiven. Er zijn wel vaak impliciete - regels, maar de deelnemers variëren en een gesprek kan ook plotseling afgebroken worden. Een maaltijdgroep is minder geschikt voor gedegen groepsgesprekken. Een maaltijd is geschikter voor gezellig kouten. Je mag ook niet praten met je mond vol...

Uitwisselen
Volgens een vaste formule (tijd, plaats, programma) bijeenkomsten rond verschillende thema’s.
Mensen kunnen wegblijven als ze niets met het thema hebben. Of komen terug, niet alleen vanwege het thema van die avond, maar bijvoorbeeld ook omdat het de vorige keer zo leuk was met die andere vrouwen. Met vrouwengroepen apart bereik je andere dingen dan met gemengde groepen of mannengroepen.

Onder de titel ‘Kennen wij elkaar ergens van?’ organiseerde de werkgroep Vrouw Kerk Samenleving in Den Haag ontmoetingen voor vrouwen met verschillende culturele en religieuze achtergronden. Men at samen (iedereen nam wat mee) en er vond uitwisseling plaats rond thema’s als ‘geloofsopvoeding’, ‘rituelen bij geboorte, huwelijk, sterven’, ‘muziek’, ‘dagelijkse gewoonten’.

Feesten, partijen en uitstapjes
Er is altijd wel iets te vieren. Nog leuker is het om elkaars religieuze feesten mee te mogen maken: Divali, Suikerfeest, Kerst... Men nodigt elkaar uit en legt gedurende het feest aan de gasten uit wat dit feest betekent.
Heel bijzonder samenbindend kan een uitstapje zijn. Medewerkers en bezoekers ontmoeten elkaar in een andere sfeer, terwijl ze samen een activiteit ondernemen. Je ziet elkaar eens van de andere kant. Ook een uitje voor alle vrijwilligers van een activiteit wordt vaak als zeer waardevol ervaren.

Excursie
Het is geen uitstapje in de zin van het hiervoorgaande, al is het wel buiten. Op bezoek bij een andere kerk, parochie of bij een moskee. Of samen een tentoonstelling bekijken die verband houdt met de eigen activiteit.

Met een aantal vrouwen bezochten we de tentoonstelling over schoonheidsbeelden in verschillende culturen. Nog lang daarna kwamen die beelden ter sprake als het ging om man- en vrouwbeelden. Maar ook hoezeer wij onderling verschilden in onze visie op mooi of lelijk.

Job-roulation
Het is al eerder genoemd in dit hoofdstuk: vraag de vrijwilligers of ze eens een tijdje een andere functie of taak zouden willen proberen. Ook deelnemers kunnen bevraagd worden of ze niet een keer of een aantal keren op proef een bepaalde vrijwilligerstaak zouden willen doen.

Niet alleen praten
Wijk eens uit naar andere vormen van communicatie. (Biblio)drama, tekenen, muziek, dans. Sommige mensen vinden het erg bedreigend. Goede begeleiding en een voorzichtige start zijn daarom wel gewenst. Maar als het lukt, kan zo'n niet-verbale vorm nieuwe dimensies aan de groep geven.

Vergaderingen
Vergaderingen kunnen ook leuk zijn. De agenda moet niet overbeladen zijn. De voorzitter moet het juiste midden weten tussen ruimte laten aan zijsprongetjes maar de lijn en de agenda wel in de gaten houden. Er is aandacht voor elkaar en ruimte voor plezier. Ook aan de bijlagen wordt gedacht: een zelfgebakken cake bij de koffie. Speciaal punt op de agenda: ‘opsteker van de maand’: wat is het leukste dat iemand afgelopen maand heeft meegemaakt.
Gooi ook eens een vergadering om en vraag de deelnemers te tekenen hoe de activiteit of het project er over vijf jaar uit zou moeten zien (doel). Of hoe ze denken dat het er uit zal zien (verwachting).

Via de kinderen
Vragen over (geloofs-)opvoeding kunnen een ingang vormen om ouders met kinderen in dezelfde leeftijd met elkaar in contact te brengen op een manier die voor henzelf direct ook nuttig kan zijn.

Doen

De bewoners van een straat of wijk worden uitgenodigd om te kijken hoe ze samen de straat kunnen opknappen. Er zijn maandelijkse vergaderingen, maar tussendoor zoekt men elkaar steeds vaker op. Iemand zegt: 'Ik ben het zat, ik wacht niet tot de gemeente het doet, ik ga zelf de straat vegen.' Een ander: ‘Ik doe mee’ En voor je het weet is een hele ploeg in touw, komt ‘hij van nummer elf’ met gitaar en zang de boel ondersteunen en brengt ‘die oude mevrouw’ koffie aan de harde werkers.

‘Gewoon’ ergens mee beginnen is vaker een frisse start voor iets nieuws. Het werkt aanstekelijk als iemand het aandurft om uit de impasse te stappen.

Literatuur

Bons-Storm, R., Kritisch bezig zijn met pastoraat. Een verkenning van de interdisciplinaire implicaties van de practische theologie. Den Haag 1984.
Een samenvatting van het ideeëngoed van Ruth Cohn is te lezen op
www.jeroenhendriksen.nl/tgi-cohn-2.html .
Cohn, Ruth C. Van psychoanalyse naar themagecentreerde interactie. Basisteksten. Baarn 1983.
Callens, I., Het concept Levend Leren, Amsterdam 1984.
Remmerswaal, J., Handboek Groepsdynamica. Een nieuwe inleiding op theorie en praktijk, Soest 2003.
Stoppels, S.: Een gastvrij onthaal. Gids voor inloopcentra en andere vormen van kerkelijke gastvrijheid. Kok, Kampen 1997.
Stoppels, S.: Inloopcentra. Een verkenning van een vorm van kerkelijke presentie. Publicatie instituut voor Praktische Theologie aan de Vrije Universiteit, Amsterdam. Nr 18A. 1992.
Velden, P.G. van der, R.J. Kleber, J.M.H. Hazen, H.J. Eikenbroek: Lastige klanten, agressie en ander geweld. Zaltbommel, 2000.
Waals, D. van der (red), Kerk in de markt. Gorinchem, 2002.

Volgende Pijltje vooruit